Jozef Paardekracht



home


De kraai

 

Een potige kerel had een Olympiajol uit 1934, hij zeilde er wedstrijden mee op het Zuidlaardermeer, hij won altijd en na de wedstrijd zetten hij en de andere wedstrijdzeilers het op een zuipen in het paviljoen.

Hij verkocht de boot aan Rob, die er zeven jaar mee zeilde en toen Rob geen aanspraak meer had in het paviljoen verkocht hij de boot aan een cabaretier  en die cabaretier raakt aller­hande onderdelen kwijt, zo van per ongeluk bij het grof vuil gezet en de cabaretier gaf de boot weer aan een man die al zijn tijd nodig had voor de bestudering van het lot van de Indianen.

De boot lag al jaren in de loods van een falliete fabrikant.

Rob regelde het met de laatste bezitter dat ik de boot van hem kreeg.

 

Het was voorjaar, mijn vriendin en ik stapten in de trein met twee zware plunjezakken, in de ene zak het anker en de zeilen, in de andere zak de schoot, de vallen,de stagen, het hoosblik en de emmer.

 

De boot lag op een aanhangwagen met lekke banden.

Met hulp van de buurman, de baas van een worstenfabriek, trokken we de aanhangwagen naar buiten.

De baas dronk met zijn personeel koffie buiten op een houten bank. Hij schonk voor ons ook een koffie in.

 

De bladders er afgekrabd, hier en daar licht schuurwerk en  dan zwarte beits erover.

De mannen van de worstfabriek hielpen met het omkeren van de boot, zodat wij bij de onderkant konden.

 

We zaten 's avonds in een trekkershut bij de haven. Je kon uitzien op de velden, daar waar het land lager is en afzakt naar de zee.

We aten buiten, een dikke trui aan, met het uitzicht op de eindeloze verte, gras tot je een vage streep ziet, waarachter de dijk moet liggen en daarachter de Waddenzee, waarover eens deze boot zal varen, zonder angst voor ondiepten, want de boot heeft een optrekbare kiel, een midzwaard heet dat.

 

De boot was klaar en we tilden de boot op een andere aanhang­wagen,die van het zware gewicht van de Olympiajol kraakte.

De vrouw van Chris vroeg nog of de aanhangwagen niet in elkaar zou zakken.

 

Dat moet kunnen, zei hij.

 

Met een slakkegang reden we naar de haven die met rijksgelden was aangelegd om het gebied een economisch-toeristisch impuls te geven.

De meeste aanlegplaatsen waren nog niet bezet en in het res­taurant organiseerden Klaas, Sonja en Marga bingo-avonden voor de plaatselijke bevolking.

 


Mijn moeder kwam met de auto aanrijden en ze trakteerde ons op bier en patat met kip in het restaurant van de jachthaven.

Wat kan een mens genieten! Daar zat ze aan het hoofd van de tafel, wenkend naar Marga, als er weer bier moest komen.

 

Kom, riep Chris, nu gaat de boot te water.

 

 

 

Rob sloot zich op in de auto van mijn moeder met zijn lees­boek.

Marga bracht hem nog een fles bier door het geopende raam.

 

 

 

Het water stroomde door een dikke scheur in de bodem naar binnen en een jongetje riep vanaf de kant, of we gingen varen.

 

Mijn moeder moest de tuin van een weduwnaar bekijken. Hij droeg van die witte bordeelsluipers met een beetje leer en kant, zo mooi dat hij nergens met zijn schoenen tegenaan liep, hoeveel hij ook dronk.

 

Mijn moeder reed weer terug naar haar huis, de man met de mooie schoenen nam nog een bier, de helpers gingen ook naar huis.

 

 

De boot dreef nog een beetje, zo goed en zo kwaad als het ging.

Mijn vriendin en ik liepen het land in, langs kleine huisjes, waar de geur van gebakken speklappen hing.

Wacht U voor de hond, stond er op het hek van verlaten huis­jes.

Er kwam een hond vanachter een huis en met zijn volle lijf drukte hij zich tegen het roestige hek, het ijzerdraad gaf mee, maar  brak niet.

Het werd koud en mistig, de geur van natte sloten en het kanaal en soms van dood vlees of een rotte rat.

 

In het café aan het kanaal vonden we een plekje aan het eind van de bar.

 

De eerste gast had kokend water over zijn gezicht gekregen, zijn gezicht was roodachtig met bleke vlekken.

De tweede gast was voor de helft van zijn gezicht verlamd.

Met de ene helft van zijn gezicht groette hij ons en toen hij mijn vriendin bekeek kwam er een beetje vocht uit het verlamde deel van zijn mond.

Het gezicht van de derde gast zat vol zwerende puisten, hij riep naar de barkeeper onze bestelling door.

We kregen een glas bier en een bessenjene­ver.

De vierde gast had een tic, zijn hoofd bewoog voortdurend, maar hij bediende zonder problemen de gokmachine.

De vijfde gast streelde het hondje op zijn schoot, hij gaf het hondje van zijn bier en het hondje kefte.

Dat is mooi, riep de barkeeper en hij zette de muziek op volle kracht.

 

Mag ik even bellen, vroeg ik. In een ruimte achter de bar hingen worsten te drogen en hand­doeken, theedoeken, onder­broeken, luiers en rokken.

Op een kampeertafel stond de telefoon en ik ging op een kam­peerstoel zitten en toen zag ik mezelf in een grote spie­gel.

Mijn hemel, wat een kop, bepaald niet moeders mooiste. Ik belde naar mijn moeder, of ze goed was overgekomen. Ze was doof, ze verstond me niet, dus hing ze maar weer op. In de trekkershut waren twee stapelbedden met in totaal vier slaap­plaatsen getimmerd. Waar moeten we deze nacht slapen, dachten we. Welk bed we ook probeerden, het was te smal voor een hele nacht. Ik had een nachtmerrie, maar gelukkig heb ik in de benauwenis geen ruit met mijn vuist doorgeslagen. In veel huizen heb ik al een ruit kapotgeslagen en één keer ben ik van mijn kamer op de eerste verdieping omlaag­gespron­gen, tussen de waslijnen met lakens van de hospita. Ik ging in het hoofdgebouw pissen, liep slaapdronken terug naar het plaatsje en naar mijn idee heb ik me vrij lang afge­vraagd hoe ik weer door het raam naar binnen kon komen. Als ik meer vertrouwen had gehad in mijn bovennatuurlijke gaven, dan was ik gewoon naar het raam gevlogen. Ik rende naar buiten en bij het waslokaal kwam ik weer bij. Waar was ik en waar kwam ik vandaan? Ik vond de trekkershut en mijn vriendin schoof een eindje op om mijn kouwe lichaam te verwarmen. Er werd aan het raam geklopt, het halfverlamde gezicht zwaaide met een petroleumlamp tussen het raam en zijn gezicht. Ik deed de deur open en hij bracht de tas die mijn vriendin in de kroeg had laten liggen. De volgende ochtend lag de boot onder water en aan de overkant van de haven liep een meisje met een kraai op haar schouder. Ze bracht haar lippen naar de kraai en de kraai pikte in haar lippen.

 Jos Kerkhof

 

copyright Erven J. P. Kerkhof